9  Summary

9.1 English Summary

Smartphones and other digital devices are now part of everyday life. While they are useful, there is concern that being “always on” may come at a cost to our mental well-being. Yet the scientific evidence remains surprisingly inconclusive, in part because most studies still rely on people’s own, often inaccurate, estimates of how much time they spend on their devices. This dissertation addresses this gap by combining passive sensing (automatically logging device activity) with experience sampling (asking participants to report their feelings multiple times per day). Together, these methods allow us to study, in real time, what people actually do on their devices and how it makes them feel. The dissertation comprises three empirical studies and one methodological contribution, preceded by a shared introduction and methodology chapter, and concluded by a general discussion.

The methodology chapter details the shared research infrastructure underlying this dissertation. All chapters draw from a large-scale citizen science project conducted at Ghent University in the fall of 2022, in which a total of 1,315 adults were recruited through a citizen-science collaboration with De Standaard newspaper. Over two weeks, participants received six daily questionnaires capturing momentary experiences of well-being, mental fatigue, time pressure, and affect, among others. Simultaneously, the smartphones of 834 Android users were passively logged, with another 106 of them also having their computer use tracked. This combination of over 67,000 questionnaire responses and more than 7 million smartphone events offers an unusually fine-grained view of how digital behavior and well-being interact in daily life. The methodology chapter provides details on the data collection infrastructure, the tools used for passive sensing and experience sampling, and the data processing pipeline that transforms raw device logs into research-ready features. This is an open, reusable reference for researchers conducting similar studies.

The first study (Chapter 3) examines online vigilance – the tendency to be constantly attentive to one’s online world. The findings show that moments of heightened online vigilance coincided with greater mental fatigue, and that this effect lingered throughout the day. Interestingly, passively sensed smartphone behavior (e.g., phone checking, notification response speed) were only weakly related to self-reported online vigilance, suggesting that the subjective experience of being “always on” matters more for well-being than what is visible in the behavioral data alone.

The second study (Chapter 4) explores whether mobile communication makes people feel rushed. Results show that email and work communication app use, in particular, were associated with feeling more pressed for time. This was partly explained by the experience of juggling multiple tasks and roles: mobile communication intensified competing demands, accelerating people’s sense of time. Social media use was a notable exception, showing no link to feeling rushed. Some of these associations varied by age, gender, and parenthood, showing that media effects are not one-size-fits-all.

The third study (Chapter 5) challenges the field’s near-exclusive focus on smartphones when measuring screen time. Using data from 106 participants who had both their smartphone and computer use logged, the study shows that ignoring computer use underestimates total screen time by an average of 136%. Participants switched between devices about 66 times per day. These cross-device dynamics are invisible to single-device studies. Including these computer-based features altered conclusions about the relationship between digital media use and mood, arguing that the field needs multi-device data collection strategies.

Beyond the three empirical studies, this dissertation includes a methodological contribution (Chapter 6) which addresses a long-standing technical barrier: the inability to passively track screen time on Apple devices. It introduces a new data donation procedure that leverages Apple’s built-in Screen Time feature. By enabling synchronization across devices linked to the same Apple ID, participants can donate system-level files from their Mac containing detailed usage across all connected Apple devices. An open-source tool converts these files into researcher-friendly datasets. While the method has limitations (it requires a Mac and captures only four weeks of data), it marks an important step in bridging the gap between Android and Apple device tracking in research.

This dissertation demonstrates that understanding the link between digital media use and well-being requires moving beyond simple screen time metrics. How people experience their connectivity – whether they feel drained, rushed, or happy – matters. The findings consistently show that associations between digital behavior and well-being are small, dynamic, and person-specific. The dissertation contributes new insights into how digital connectivity affects well-being, and advances how researchers can collect, analyze, and document digital traces across devices and platforms.

9.2 Nederlandstalige Samenvatting

Smartphones en andere digitale apparaten maken intussen onlosmakelijk deel uit van het dagelijks leven. Hoewel ze nuttig zijn, bestaat de bezorgdheid dat het “altijd online” zijn ten koste kan gaan van ons mentaal welzijn. Toch blijft het wetenschappelijk bewijs verrassend onbeslist, mede doordat de meeste studies nog steeds steunen op de eigen, vaak onnauwkeurige, schattingen van mensen over hun schermtijd. Dit proefschrift pakt deze lacune aan door passieve logging (het automatisch loggen van apparaat activiteit) te combineren met de experience sampling methode (het meermaals per dag bevragen van deelnemers over hun gevoelens). Samen maken deze methoden het mogelijk om in real time te bestuderen wat mensen effectief doen op hun toestellen en hoe zij zich daarbij voelen. Het proefschrift omvat drie empirische studies en één methodologische bijdrage, voorafgegaan door een gedeelde inleiding en een methodologisch hoofdstuk, en afgesloten met een algemene discussie.

Het methodologisch hoofdstuk beschrijft de gedeelde onderzoeksinfrastructuur die aan de basis van dit proefschrift ligt. Alle hoofdstukken komen voort uit een grootschalig burgerwetenschapsproject dat in het najaar van 2022 werd uitgevoerd aan de Universiteit Gent, waarbij in totaal 1.315 volwassenen werden gerekruteerd via een samenwerking met De Standaard. Gedurende twee weken ontvingen de deelnemers zes dagelijkse vragenlijsten die ervaringen van welzijn, mentale vermoeidheid, tijdsdruk en gemoedstoestand in kaart brachten. Tegelijkertijd werden de smartphones van 834 Android-gebruikers passief gelogd, en werd bij 106 van hen ook het computergebruik geregistreerd. Deze combinatie van meer dan 67.000 vragenlijstresponsen en ruim 7 miljoen smartphone-events biedt een gedetailleerd beeld van hoe digitaal gedrag en welzijn in het dagelijks leven samenhangen. Het methodologisch hoofdstuk beschrijft de infrastructuur voor dataverzameling, de gebruikte tools voor passieve logging en experience sampling, en de dataverwerkingspipeline die ruwe logs omzet in variabelen. Het vormt een open en herbruikbare referentie voor onderzoekers die vergelijkbare studies uitvoeren.

De eerste studie (Hoofdstuk 3) onderzoekt online vigilance – de neiging om voortdurend aandachtig te zijn voor de eigen online wereld. De bevindingen tonen aan dat momenten van verhoogde online waakzaamheid samenvielen met grotere mentale vermoeidheid, en dat dit effect doorwerkte gedurende de rest van de dag. Opvallend is dat passief geregistreerd smartphonegedrag (zoals het checken van de telefoon en de reactiesnelheid op notificaties) slechts zwak samenhing met zelf gerapporteerde online waakzaamheid. Dit suggereert dat de subjectieve ervaring van het “altijd online” zijn meer uitmaakt voor welzijn dan wat zichtbaar is in de gedragsdata.

De tweede studie (Hoofdstuk 4) gaat na of mobiele communicatie mensen het gevoel geeft gehaast te zijn. De resultaten tonen dat vooral het gebruik van e-mail- en werkcommunicatie-apps samenhing met een sterker gevoel van tijdsdruk. Dit werd deels verklaard door de ervaring meerdere taken en rollen tegelijk te moeten jongleren: mobiele communicatie versterkte concurrerende eisen, waardoor het tijdsgevoel van mensen versnelde. Het gebruik van sociale media vormde een opvallende uitzondering en vertoonde geen verband met het gevoel gehaast te zijn. Sommige van deze verbanden verschilden naargelang leeftijd, geslacht en ouderschap, wat aantoont dat media-effecten niet voor iedereen gelijk zijn.

De derde studie (Hoofdstuk 5) stelt de bijna exclusieve focus op smartphones bij het meten van schermtijd in vraag. Op basis van gegevens van 106 deelnemers bij wie zowel het smartphone- als het computergebruik werd gelogd, toont de studie aan dat het negeren van computergebruik de totale schermtijd gemiddeld met 136% onderschat. Deelnemers wisselden dagelijks ongeveer 66 keer tussen apparaten. Deze ‘cross-device’ dynamieken zijn onzichtbaar in studies die slechts één toestel registreren. Het opnemen van computer gerelateerde variabelen veranderde de conclusies over het verband tussen digitaal mediagebruik en stemming, en pleit ervoor dat het veld nood heeft aan dataverzamelingsstrategieën die meerdere apparaten registreren.

Naast de drie empirische studies bevat dit proefschrift een methodologische bijdrage (Hoofdstuk 6) die een langdurige technische barrière aanpakt: de onmogelijkheid om schermtijd op Apple-apparaten passief te registreren. Het introduceert een nieuwe datadonatieprocedure die gebruikmaakt van Apple’s ingebouwde Schermtijd-functie. Door synchronisatie in te schakelen tussen apparaten die aan dezelfde Apple ID zijn gekoppeld, kunnen deelnemers systeembestanden van hun Mac doneren die gedetailleerde gebruiksgegevens bevatten van alle verbonden Apple-apparaten. Een open-sourcetool zet deze bestanden om naar bruikbare datasets. Hoewel de methode beperkingen kent (ze vereist een Mac en registreert slechts vier weken aan gegevens), vormt ze een belangrijke stap in het overbruggen van de kloof tussen Android- en Apple-apparaat registratie in onderzoek.

Dit proefschrift toont aan dat het begrijpen van het verband tussen digitaal mediagebruik en welzijn vereist dat we voorbij eenvoudige schermtijdmaten kijken. Hoe mensen hun connectiviteit ervaren – of ze zich uitgeput, gehaast of gelukkig voelen – doet ertoe. De bevindingen tonen consistent aan dat verbanden tussen digitaal gedrag en welzijn klein, dynamisch en persoon specifiek zijn. Het proefschrift levert nieuwe inzichten in hoe digitale connectiviteit welzijn beïnvloedt, en draagt bij aan de manier waarop onderzoekers digitale sporen (of ‘traces’) kunnen verzamelen, analyseren en documenteren over apparaten en platformen heen.